Feike Asma

Feike Asma werd geboren op 21 april 1912 te Den Helder. Hij ontving de eerste muzieklessen van zijn vader en trad reeds op negenjarige leeftijd als solist op bij een koor- en samenzangavond, waarbij zijn vader dirigent was.

1927 was een belangrijk jaar voor de vijftienjarige Asma. Hij werd namelijk benoemd tot organist van de Gereformeerde Kerk in zijn geboorteplaats en hij mocht les nemen bij de bekende organist Jan Zwart, wiens (radio)concerten op Asma een geweldige indruk maakten. Aanvankelijk moest hij voor deze lessen vanuit Den Helder naar de Grote of St. Laurenskerk te Alkmaar reizen, later vonden de lessen plaats op het Strümphler-orgel in het kerkgebouw van de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal, waar Zwart organist was. Asma was een leergierige student, die na enige tijd, wanneer dat nodig was, zijn leermeester bij concerten kon vervangen. Bij Zwart bekwaamde Asma zich, behalve in het koraalspel, ook in de studie van nagenoeg de gehele orgelliteratuur. Na de dood van zijn leermeester in 1937 zocht hij geen nieuwe orgelleraar meer, hij had naar eigen zeggen zijn hele leven wel leerling van Zwart willen blijven. Ook een conservatoriumopleiding zag Asma niet zitten, een toelatingsexamen hiervoor werd door hem bewust verknoeid.

Intussen volgde in 1933 Asma's benoeming tot organist van de Hooglandse Kerk te Leiden, waar hij tien jaar bleef. In deze periode verschenen de eerste uitgaven van zijn eigen koraalbewerkingen als bladmuziek. In deze bewerkingen is qua idioom duidelijk de invloed van Zwart te herkennen. Jarenlang probeerde Asma een getrouwe kopie van zijn leermeester te zijn, ook wat betreft de opzet van zijn concertprogramma's. Hij begon zijn concerten dikwijls met één of meer bewerkingen van Zwart. Daarna volgden meestal werken van Bach of Händel. Via Mendelssohn kwam vervolgens de Franse Romantiek aan bod. Ter afsluiting speelde hij vaak een koraalfinale van eigen hand. Net als Zwart wist Asma op die manier velen tot het orgel te trekken en daaraan te binden. Met moeite heeft hij zich later meer los kunnen maken van de invloed van zijn leermeester. Desondanks heeft hij altijd zijn grote waardering voor hem laten blijken en speelde hij ieder jaar rond Zwart's sterfdatum (13 juli) een aantal herdenkingsconcerten in het land.

Van 1943 tot 1965 was Asma organist van de Evangelisch Lutherse Kerk te Den Haag. Hier kon hij zijn concertpraktijk verder uitbouwen. Naast vele concerten op zijn eigen Bätz-orgel, speelde hij in die periode ook frequent in de Wilhelminakerk te Rotterdam en de Oude Kerk te Amsterdam. De orgels in deze kerken zijn eigenlijk vooral door Asma's concerten en plaatopnamen bij een grote schare bekend en geliefd geworden. Andere orgels waarvan hij graag opnamen maakte waren die van de Martinikerk te Bolsward en van de Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam.

Naast het orgel bleek ook het symfonieorkest grote aantrekkingskracht op Asma uit te oefenen. Tussen 1945 en 1950 studeerde hij koor- en orkestdirectie bij Eduard Flipse, de eerste dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. In de periode 1950-1952 volgde hij bij Paul van Kempen in Siena (Italië) de internationale meestercursus voor dirigenten. Met deze ondergrond kon Asma ook als dirigent optreden, o.a. van de christelijke oratoriumvereniging 'Te Deum Laudamus' te Scheveningen en van de mannenkoren 'De Verenigde Zangers' te Den Haag en 'Vreewijk' te Rotterdam. Deze activiteiten gaf hij aan het begin van de jaren zestig op, onder meer wegens concertreizen naar Amerika.

In 1965 verbond Asma zich als organist aan de Grote Kerk te Maassluis. Geïnspireerd door de zingende gemeente aldaar, werd aan zijn kerkorganistschap een nieuwe impuls gegeven. Ook kon hij door de grotere omvang van zijn Garrels-orgel nieuwe werken aan zijn toch al brede repertoire toevoegen. In die periode kwam hij in contact met Nederlandse componisten als Hendrik Andriessen, Marius Monnikendam en Paul Christiaan van Westering. Hun werken werden door Asma veelvuldig onder de aandacht gebracht. De werken die hij op zijn concertprogramma's zette werden omvangrijker. In opdracht van de NCRV werden orgelsonates en -symfonieën van Guilmant, Widor en Vierne opgenomen op de grote Cavaillé-Coll-orgels in Frankrijk. Ook grote koraalfantasieën van Karg-Elert en Reger werden gespeeld, naast werken van moderne Franse componisten als Langlais, Dupré en Duruflé.

Wegens zijn verdiensten voor de Franse orgelcultuur werd aan Asma tot tweemaal toe (in 1964 en 1975) door de Société Académique d'Education 'Arts, Sciences et Lettres' te Parijs een onderscheiding toegekend. In Nederland werd hij onderscheiden met de 'Wolfert van Borselenpenning' van de stad Rotterdam en de 'Eremedaille in goud' van de stad Maassluis. Bij zijn veertigjarig organistenjubileum in 1967 werd Asma benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Asma's orgel in Maassluis bevatte bij zijn aantreden als vaste bespeler ernstige gebreken, ondanks een restauratie enkele jaren daarvoor. Hij maakte zich meteen sterk voor een nieuwe restauratie, waarin het instrument weer in goede staat zou worden gebracht. Deze restauratie kwam er in de jaren 1975-1978 en stond model voor zijn visie op orgelrestauraties. Respect voor de bouwer, behoud van latere, waardevolle toevoegingen, een ruime windvoorziening en een goede technische staat, waardoor muziek uit vele eeuwen kan worden vertolkt. De vele opnamen uit Maassluis zijn hier, mede door zijn uitgekiende registraties, een klinkend bewijs van. 

Asma had in de orgelwereld vele bewonderaars, maar was niet onomstreden. Zijn muzikaliteit, theoretische kennis en technische capaciteiten waren boven elke twijfel verheven, maar over zijn wijze van interpreteren en uitvoeren liepen de meningen sterk uiteen. Zo werd hem soms verweten composities te zeer naar zijn hand te zetten en niet voldoende stijlzuiverheid in acht te nemen. Asma had echter de opvatting en gave om de werken die hij speelde op hun sterkst te laten klinken, ook de wat minder sterke passages en composities. Hiertoe bracht hij weleens kleine aanpassingen aan, mede afhankelijk van de kwaliteiten en de omvang van het orgel dat hij bespeelde. Daarnaast musiceerde hij rechtstreeks vanuit het hart en vanuit een orkestrale gedachte. Ook is het, gezien de enorme hoeveelheid concerten die hij jaarlijks verzorgde, niet verwonderlijk dat er weleens een mindere uitvoering voorkwam. Desalniettemin trok hij tot het laatst veel toehoorders.

Dit kwam ook door Asma's aandacht voor het eenvoudige kerklied. Talloze koraalbewerkingen - zij vonden vaak bij het publiek hogere waardering dan hij als bescheiden kunstenaar had verwacht - staan op zijn naam. De serie 'Muziek voor kerk en huis' is daar een voorbeeld van. Zijn bewerkingen hebben over het algemeen een eenvoudige, maar degelijke vorm, waarbij de melodie herkenbaar aanwezig is en waarin de sfeer van het lied tot uitdrukking wordt gebracht.

Een zeer arbeidzaam leven kwam op 18 december 1984 ten einde. Asma werd, na een rouwdienst in de Oude Kerk te Amsterdam, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in diezelfde stad begraven. Bij velen zal hij echter nog steeds in herinnering voortleven.